In "kaf of koren" werden er een aantal verkeerde (vleselijke) werken genoemd, waaraan Christenen zich schuldig maken. Als ze op een dergelijk gedrag worden aangesproken kunnen ze op twee manieren reageren:
ze komen tot inkeer of ze volharden in hun openbare zonde.
Nu dringt zich de vraag op: hoe ga je daar als oudsten (want die hebben uiteindelijk de leiding/verantwoording over de plaatselijke gemeente) mee om?
Wat zegt de Bijbel hier over?
Een bekende uitspraak van onze Heiland vinden we in Mattheüs 18:
“Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga naar hem toe en wijs hem terecht tussen u en hem alleen; als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Maar als hij niet naar u luistert, neem er dan nog een of twee met u mee, opdat in de mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat. Als hij niet naar hen luistert, zeg het dan tegen de gemeente. En als hij ook niet naar de gemeente luistert, laat hij dan voor u als de heiden en de tollenaar zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u op de aarde bindt, zal in de hemel gebonden zijn; en alles wat u op de aarde ontbindt, zal in de hemel ontbonden zijn.” (Mattheüs 18:15-18 HSV)
We zien hier dat pas in derde instantie de gemeente over een in zonde volhardend lid wordt ingelicht. Als de persoon in kwestie, na confrontatie met de kerkenraad en/of gemeente, alsnog blijft volharden "laat hij dan voor u als de heiden en de tollenaar zijn", m.a.w. behoort deze niet meer als broeder of zuster te worden beschouwd. Tenzij de persoon weer tot inkeer komt, kan hij/zij geen deel nemen aan het gemeenteleven.
Twee zaken die hier opvallen zijn de snelheid waarmee e.e.a. kan gebeuren en tevens de radicaliteit. Beide hebben met elkaar te maken: onze Verlosser gaf diverse malen aan dat we radicaal met de zonde moeten breken, welnu, dit geldt ook wanneer we door anderen op een zonde worden gewezen. De keus is dan eigenlijk vrij simpel: komen we tot inkeer of blijven we volharden. Daar zijn geen weken bedenktijd voor nodig!
De eventuele straf is radicaal, maar het kan nog veel erger, lees maar in Handelingen 5:
“En een zekere man, van wie de naam Ananias was, verkocht samen met zijn vrouw Saffira een eigendom, en hield een deel van de opbrengst achter, ook met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een bepaald gedeelte en legde dat aan de voeten van de apostelen. En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, zodat u gelogen hebt tegen de Heilige Geest en een deel achtergehouden hebt van de opbrengst van het stuk grond? Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en toen het verkocht was, bleef de opbrengst dan niet tot uw beschikking? Waarom toch hebt u deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. Toen Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en gaf de geest. En er ontstond grote vrees bij allen die dit hoorden. En de jonge mannen stonden op, legden hem af, droegen hem naar buiten en begroeven hem. En het gebeurde na verloop van ongeveer drie uur dat ook zijn vrouw daar binnenkwam, zonder te weten wat er gebeurd was. En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u beiden het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel. Petrus zei tegen haar: Waarom toch hebt u met elkaar afgesproken de Geest van de Heere te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur en zullen u ook uitdragen. En zij viel onmiddellijk voor zijn voeten neer en gaf de geest. En toen de jongemannen binnengekomen waren, troffen zij haar dood aan, en zij droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man. En er kwam grote vrees over heel de gemeente en over allen die dit hoorden.” (Handelingen 5:1-11 HSV)
Het is de taak van de oudsten om over de gemeente te waken, en om, indien nodig, resoluut in te grijpen. In 1 Cor. 4:18 - 5:13 vraagt Paulus of hij met de roede naar de gemeente moet komen omdat er hoererij plaatsvindt, en er NIETS aan gedaan wordt:
“Maar sommigen hebben zich heel gewichtig voorgedaan, alsof ik niet naar u toe zou komen. Maar ik zal spoedig naar u toe komen, zo de Heere wil. En ik zal dan van hen die zich zo gewichtig hebben voorgedaan, niet de woorden leren kennen, maar de kracht. Want het Koninkrijk van God bestaat niet in woorden, maar in kracht. Wat wilt u? Moet ik met de roede naar u toe komen, of in liefde en in een geest van zachtmoedigheid? Men hoort algemeen dat er hoererij onder u voorkomt, en wel zo’n vorm van hoererij waarvan zelfs onder de heidenen geen sprake is, namelijk dat iemand de vrouw van zijn vader heeft. En u doet zich zo gewichtig voor. Kunt u niet beter treuren, om dan hem die deze daad begaan heeft, uit uw midden weg te doen? Ik heb, hoewel afwezig met het lichaam, maar aanwezig met de geest, namelijk reeds besloten - alsof ik aanwezig was - om hem die dat zo gedaan heeft, in de Naam van onze Heere Jezus Christus, als u en mijn geest bijeengekomen zijn, in de kracht van onze Heere Jezus Christus, over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden zal worden op de dag van de Heere Jezus. Uw roem is niet goed. Weet u niet dat een klein beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt? Verwijder dan het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers ongezuurd, want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus. Laten wij dus feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosaardigheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid. Ik heb u geschreven in de brief dat u zich niet moet inlaten met ontuchtplegers. Echter, niet in het algemeen met de ontuchtplegers van deze wereld, of met de hebzuchtigen, of rovers, of afgodendienaars, want dan zou u uit de wereld moeten gaan. Maar nu heb ik u geschreven dat u zich niet moet inlaten met iemand die, terwijl hij een broeder wordt genoemd, een ontuchtpleger is, of een hebzuchtige, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover. Met zo iemand moet u zelfs niet eten. Het is toch niet aan mij om hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u immers niet alleen hen die binnen zijn? Maar hen die buiten zijn, oordeelt God. En doe de kwaaddoener uit uw midden weg.” (1 Corinthiërs 4:18-5:13 HSV)
Wat er gedaan had moeten worden is: degenen, die zich misdragen, uit de gemeente zetten, hen feitelijk overgeven aan Satan, tot verderf van hun lichaam, "opdat de geest behouden zal worden op de dag van de Heere Jezus".
Paulus gaat verder: "Uw roem is niet goed. Weet u niet dat een klein beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt?" Vrij vertaald: "schep maar niet op, weet je niet dat één rotte appel de gehele mand kan bederven?"
De boze dient tijdig uit het midden van de gemeente te worden verwijderd!
Nu zijn er helaas oudsten die, om welke reden dan ook, verzuimen deze taak uit te voeren. Er zijn er zelfs die de gemeente op dit punt de verkeerde kant op leiden. Ze voeren bijv. aan dat we "in een gebroken wereld" leven, maar dan vergeten ze gemakshalve dat we dat al doen sinds de zondeval. Ze gaan bewust tegen de Schrift in (ze worden geacht deze te kennen), en tonen aan niet geschikt te zijn voor het ambt. Het is namelijk niet hún gemeente of die van de leden, maar het is Christus' Gemeente! De Bijbel is bepalend en niet de mening van mensen.
Als oudsten blijven volharden in hun fouten kunnen ze óók ter verantwoording worden geroepen. Timoteüs krijgt van Paulus instructies hoe om te gaan met klachten, welke zijn ingebracht tegen oudsten:
1. er dienen twee tot drie getuigen te zijn
2. de oudste dient in tegenwoordigheid van de gemeente te worden bestraft, opdat de gemeente ontzag zal hebben
3. hij MOET zijn taak gewetensvol uitvoeren
Vanzelfsprekend kan ook een oudste weer tot inkeer komen.
Hét sleutelwoord voor het Christendom is Liefde (1 Cor. 13:13), maar liefde zonder tucht bestaat niet, de Schrift stelt dat zeer duidelijk: “Wie zijn stok spaart, haat zijn zoon, maar wie hem liefheeft, streeft naar vermaning voor hem.” (Spreuken 13:24 HSV)
Tot slot:
“Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut.” (Hebreeën 13:17 HSV)
Deze tekst is n.a.w. vrij onbekend onder Christenen, want menig oudste gaat "zuchtende" door het leven. De gemeenteleden kunnen, door gehoorzaamheid te betrachten, hun taak danig verlichten, maar dan moet de oudste op zijn beurt ook oprecht zijn en naar Gods Wil handelen. Als de situatie erom vraagt, mag de oudste niet "zijn kop in het zand steken", maar zijn verantwoording nemen, zoals aangegeven in 1 Timoteüs 5:
“Ik bezweer u, ten overstaan van God en de Heere Jezus Christus en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen in acht neemt zonder vooroordeel en zonder iets uit partijdigheid te doen.” (1 Timotheüs 5:21 HSV)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten